DEI+: Verduurzaming gebouwde omgeving
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Voor bedrijven, provincies, gemeentes en onder bepaalde voorwaarden waterschappen in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba die werken aan pilot- of demonstratieprojecten voor innovatieve verduurzamingstechnieken.
Ook bekend als DEI+: Aardgasloze gebouwde omgeving, Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie, DEI+
Waar is deze subsidie voor?
Subsidie voor ondernemingen die investeren in pilot- of demonstratieprojecten voor innovatieve technieken ter verduurzaming van woningen, woongebouwen, utiliteitsgebouwen of wijken met als doel CO₂-reductie. Maximale subsidie per project: €1 miljoen. Totaal budget: €6 miljoen.
Voor wie is het bedoeld?
Voor bedrijven, provincies, gemeentes en onder bepaalde voorwaarden waterschappen in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius of Saba die werken aan pilot- of demonstratieprojecten voor innovatieve verduurzamingstechnieken.
Waarvoor kunt u subsidie krijgen?
- Ik wil een innovatieve verduurzamingstechniek testen in een pilot
- Ik wil een innovatieve verduurzamingstechniek demonstreren op schaal
- Ik wil woningen of gebouwen CO₂-arm maken met innovatieve technieken
- Ik wil energie-efficiëntie in gebouwen verbeteren
- Ik wil hernieuwbare energiebronnen in gebouwen integreren
- Ik wil stadsverwarming of -koeling implementeren
Voorwaarden
- Project moet passen binnen beschrijving van verduurzaming gebouwde omgeving
- Pilot- of demonstratieproject
- Project zorgt voor minder CO₂-uitstoot in Nederland binnen 10 jaar na start
- Projectduur maximaal 4 jaar
- Start uitvoering binnen 6 maanden na subsidiebeschikking
- Project mag niet eerder zijn gestart voordat aanvraag is ingediend
- Project wordt voor eigen rekening en risico uitgevoerd
- Minstens één onderneming maakt kosten in het project
- Project moet technisch en economisch haalbaar zijn
- Slaagkans innovatie in Nederlandse markt moet goed onderbouwd zijn
- Onderneming mag niet in moeilijkheden zijn volgens Algemene Groepsvrijstellingsverordening
- Financiering eigen aandeel projectkosten moet voldoende zeker zijn
- Voor randvoorwaardelijke innovaties: de-minimisverklaring nodig (max €300.000 in huidige en vorige 3 belastingjaren)
Kom ik in aanmerking?
De eisen uit de regeling. Uw situatie bepaalt of u voldoet; dit is geen beschikking.
Openstellingen en rondes
- Start
- 27 jan 2026
- Sluit
- 27 aug 2026
- Budget
- € 6 mln
- Verdeling
- Wie het eerst komt
Staatssteun en de-minimis
Deze regeling valt (deels) onder de de-minimisverordening. U mag over drie belastingjaren een beperkt bedrag aan de-minimissteun ontvangen; houd hier rekening mee bij het stapelen. Vaak is een de-minimisverklaring nodig.
Documenten
- Handleiding DEI+.pdf · 89 pag.
Toon documenttekst
Handleiding Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie 2026 (DEI+) Gebouwde omgeving, circulaire economie, energiebesparing, hernieuwbare energie, waterstof, flexibilisering, vergassing, CC(U)S, industrie In opdracht van de ministeries van Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur en Waterstaat. -- 1 of 89 -- 2 | DEI+ handleiding 2026 Inhoudsopgave 1 Waar krijgt u subsidie voor? 5 1.1 Soorten projecten 6 1.2 Welke pilot- en demonstratieprojecten passen niet? 7 1.3 Wijzigingen bij de openstelling in januari en juni 2026 8 2 DEI+ thema’s 10 2.1 Energie-efficiëntie anders dan in gebouwen 11 2.2 Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen 12 2.3 Flexibilisering van het energiesysteem 14 2.4 Infrastructuurvoorzieningen 15 2.5 Circulaire economie 16 2.5.1 Circulaire economie algemeen 16 2.5.2 Circulaire economie – Biobased Circular en 2.5.3 Circulaire economie – Biobased Circular grote projecten 18 2.6 CC(U)S (Carbon Capture, Utilisation and Storage, inclusief koolstofverwijdering) 20 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving 22 2.8 Overige CO₂-reducerende maatregelen in de industrie, elektriciteitssector of gebouwde omgeving 24 2.9 Waterstof en groene chemie 26 2.10 Vergassing van reststromen 28 3 Komt u in aanmerking? 30 3.1 Voorwaarden 30 3.2 Beoordeling 31 3.3 Afwijzingsgronden 31 4 Subsidie en projectkosten 33 4.1 Subsidiebudget en maximale subsidie 33 4.2 Subsidiepercentages 33 4.3 Projectkosten 35 4.3.1 Pilotprojecten (definitie beschreven in hoofdstuk 1) 35 4.3.2 Demonstratieprojecten (definitie beschreven in hoofdstuk 1.1) 36 4.3.3 Test- en experimenteerinfrastructuurprojecten 37 4.4 Financiering eigen aandeel 37 4.5 Overige aandachtspunten 38 4.5.1 Wat als een provincie, gemeente of andere overheid een bijdrage levert? 38 4.5.2 Samenwerkingsovereenkomst 39 4.5.3 Ben ik een onderzoeksorganisatie? 40 4.5.4 Benodigde vergunningen 40 5 De aanvraagprocedure in vijf stappen 41 6 Onderdelen van de subsidieaanvraag 42 7 Als uw project subsidie krijgt toegekend 44 7.1 Voorschotten 44 7.2 Verplichtingen 44 -- 2 of 89 -- 3 | DEI+ handleiding 2026 Bijlage 1 Factoren CO₂-equivalentie 46 Bijlage 2 Toelichting afwijzingsgronden 47 Bijlage 3 Samenloop van DEI+ subsidie met andere publieke bijdragen 52 Bijlage 4 Is mijn project een DEI+ pilotproject of een demonstratieproject? 57 Bijlage 5 Uitleg bij de verschillende artikelen uit de AGVV 58 Bijlage 6 Subsidiabele kosten en te hanteren referentiesituatie voor artikel 36, 38 en 47 AGVV 69 Bijlage 7 Inhoudelijke voorwaarden productie van waterstof via elektrolyse 73 Bijlage 8 Informatieverplichtingen productie van waterstof via elektrolyse 74 Bijlage 9 Subsidie- en informatieverplichtingen thema ‘Vergassing van reststromen’ 76 Bijlage 10 Is een aanvrager een onderneming in moeilijkheden volgens de AGVV? 77 Bijlage 11 Verklarende woordenlijst 82 -- 3 of 89 -- 4 | DEI+ handleiding 2026 Deze handleiding helpt u bij het schrijven van een DEI+-subsidieaanvraag. Sommige onderdelen uit de regeling zijn vereenvoudigd om de informatie beter begrijpelijk te maken. Aan deze handleiding kunnen geen rechten worden ontleend. Uw aanvraag wordt altijd beoordeeld op basis van de officiële regeling zoals gepubliceerd op wetten.overheid.nl. -- 4 of 89 -- 5 | DEI+ handleiding 2026 1 Waar krijgt u subsidie voor? U kunt subsidie krijgen om een innovatieve techniek te testen in een pilotproject, te demonstreren in een demonstratieproject of om test- en experimenteerinfrastructuur voor waterstof te realiseren. Het belangrijkste is dat uw project de CO₂-uitstoot vermindert binnen tien jaar na de start van het project. Voor de meeste thema’s van de DEI+ gaat het om de vermindering van CO₂-uitstoot in Nederland. Alleen voor het subthema Circulaire economie algemeen (2.5.1) mag deze uitstoot vermindering ook buiten Nederland plaatsvinden. De vermindering moet wel in verhouding staan tot de kosten. U introduceert bijvoorbeeld een voor Nederland nieuwe toepassing van een apparaat, systeem of techniek die CO₂-uitstoot vermindert. Het gaat niet om CO₂-reductie in het algemeen, maar om CO₂-reductie in bepaalde sectoren. Meer specifiek moet het gaan om een bijdrage aan: • missie A (hernieuwbare elektriciteit), B (gebouwde omgeving) of C (industrie) van het Klimaatakkoord1; • missie Circulaire Economie2; • het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’3; • de Routekaart Groen Gas4; • het programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving5. Naast een directe bijdrage aan het reduceren van CO₂-uitstoot is er voor projecten binnen een aantal thema’s ook een indirecte bijdrage aan deze reductie toegestaan. Dit gaat om demonstratieprojecten van randvoorwaardelijke innovaties in thema Verduurzaming gebouwde omgeving (2.7) en pilotprojecten binnen de thema’s: • Verduurzaming gebouwde omgeving (2.7); • Flexibilisering van het energiesysteem (2.3); • Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen (2.2); • en Waterstof en groene chemie (2.9). Wat nog meer onder de regeling valt • Onder de DEI+ valt ook het bereiken van negatieve emissies. Daarbij gaat het om het afvangen van atmosferische of biogene CO₂ die bedrijven daarna vastleggen. • Als het gaat om fabrieken: De DEI+ richt zich niet alleen op bestaande fabrieken, maar ook op nieuwe fabrieken met nieuwe activiteiten in Nederland. Het doel is om toekomstige CO₂-uitstoot in Nederland te verminderen door duurzame investeringen te doen in plaats van te investeren in minder milieuvriendelijke alternatieven. Bij de beoordeling van deze nieuwe investeringen moet u rekening houden met de minimale milieustandaarden in Nederland. • Het is ook mogelijk om CO₂-uitstoot te verminderen op één of meer eilanden in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius of Saba). Het verminderen van de CO₂-uitstoot op Aruba, Curaçao of Sint Maarten valt niet onder de DEI+. • Het kosteneffectief verminderen van de mondiale CO₂-emissies in delving en productie van grondstoffen, mineralen en producten binnen tien jaar na de start van een project dat in Nederland wordt uitgevoerd en past binnen subthema Circulaire economie algemeen. In hoofdstuk 2 van deze handleiding beschrijven we de subsidiethema’s verder. 1 Missie A ‘Een volledig CO₂-vrij elektriciteitssysteem in 2050’ met de MMIP’s 1 en 2; Missie B ‘Een CO₂-vrije gebouwde omgeving in 2050’ met de MMIP’s 3, 4 en 5; Missie C ‘Een klimaatneutrale industrie met hergebruik van grondstoffen en producten in 2050’ met de MMIP’s 6, 7 en 8, en het missiedoorsnijdende MMIP 13 (zie https://www.energy-innovation.nl/nl/ over-ons/missies/). 2 https://kia-ce.nl/wp-content/uploads/2023/12/KIA-CE-2024-2027.pdf 3 https://groenvermogennl.org 4 Kamerstukken II 2019/20, 32813, nr. 487. 5 Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving | Rapport | Rijksoverheid.nl. Dit is een verbreding van missie B en richt zich onder andere ook op circulariteit, klimaatadaptief, natuurinclusief en stikstofarm (ver)bouwen. -- 5 of 89 -- 6 | DEI+ handleiding 2026 1.1 Soorten projecten De DEI+ ondersteunt pilotprojecten, demonstratieprojecten en test- en experimenteerinfrastructuur- projecten. Een project valt in één van deze drie categorieën, niet in meerdere. Zie Bijlage 4 voor een schematisch overzicht van het verschil tussen een pilotproject en een demonstratieproject. Pilotprojecten Een pilotproject is een proefproject waarin u innovatieve CO₂-reducerende maatregelen test in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden. Het hoofddoel is het verder technisch verbeteren of ontwikkelen van producten, processen of diensten die nog niet vaststaan, inclusief aanmerkelijke verbeteringen van bestaande oplossingen. De internationale stand van onderzoek en techniek is daarbij de maatstaf bij het bepalen van de innovativiteit. Voor apparatuur subsidiëren wij alleen de afschrijvingskosten gedurende het project. Als de kosten van de apparatuur meteen als kosten worden geboekt in de winst- en verliesrekening en de apparatuur na het project geen restwaarde meer heeft, dan komen alle kosten in aanmerking voor subsidie. Dit dient u te onderbouwen in het projectplan en de begroting. Het pilotproject moet ook voldoen aan de andere basiscriteria voor onderzoek en ontwikkeling6: • creatief: het te ontwikkelen product, proces of de dienst kunt u met bestaande kennis en methoden niet ontwikkelen (er zijn knelpunten die opgelost moeten worden en de oplossing ligt niet voor de hand); • onzeker: er is sprake van risico’s en onzekerheden of het resultaat behaald kan worden en er is onzekerheid over de kosten en tijd die nodig zijn om de verwachte resultaten te bereiken; • systematisch: u voert het project uit via een plan; denk aan onderzoeksvragen en hypotheses, te toetsen parameters, een vooraf opgezet testprogramma, het bijhouden van gegevens over het gevolgde proces met resultaten; • overdraagbaar en reproduceerbaar: de opgedane kennis en resultaten deelt u met anderen voor zover het niet bedrijfsgevoelige informatie betreft. De kennis die u in het project opdoet, het gevolgde proces en de resultaten legt u vast. Demonstratieprojecten Bij een demonstratieproject gaat het om subsidie voor praktijktoepassingen door een eindgebruiker/ exploitant. Het betreft investeringen in materiële en eventueel immateriële activa. Leaseconstructies zijn mogelijk. Bij een demonstratieproject blijft de installatie ook na het project in gebruik. Is dat niet het geval, omdat de installatie gedemonteerd wordt of stil komt te staan, dan is er mogelijk sprake van een pilotproject. Het is de bedoeling dat u de werking van de installatie binnen de projectperiode demonstreert. Houd hier rekening mee bij het opstellen van de planning en de fasering. Als u een nieuwe innovatieve techniek of product, of combinatie van technieken of producten wil demonstreren in een demonstratieproject, dan moet u een zogenoemde eerste toepasser in de markt zoeken. Die toepasser moet investeren in én eigenaar worden van deze techniek of dit product. De toepasser kan subsidie aanvragen voor een demonstratieproject. U kunt als de ontwikkelaar samen met de investeerder subsidie aanvragen als u binnen het project nog experimentele ontwikkeling uitvoert. 6 OECD (2015). Frascati Manual 2015 Guidelines for collecting and reporting data on research and experimental development en Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01), punt 75. Het concept van experimentele ontwikkeling moet niet worden verward met “productontwikkeling”, dat is het algemene proces - van het formuleren van ideeën en concepten tot commercialisering – gericht op het op de markt brengen van een nieuw product (goed of dienst). Experimentele ontwikkeling is slechts één mogelijke fase in het productontwikkelingsproces: die fase waarin generieke kennis daadwerkelijk wordt getest voor de specifieke toepassingen die nodig zijn om een dergelijk proces tot een goed einde te brengen. Tijdens de experimentele ontwikkelingsfase wordt nieuwe kennis gegenereerd en aan die fase komt een einde wanneer de R&D-criteria (nieuw, onzeker, creatief, systematisch en overdraagbaar) niet langer van toepassing zijn. -- 6 of 89 -- 7 | DEI+ handleiding 2026 Binnen het thema ‘Verduurzaming gebouwde omgeving’ kunnen demonstratieprojecten gecombineerd worden met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties door kleine en middelgrote ondernemingen die passen binnen de-minimisverordening. Zie hoofdstuk 2.7 voor meer informatie. Test- en experimenteerinfrastructuurprojecten Test- en experimenteerinfrastructuurprojecten zijn alleen toegestaan bij het thema Waterstof en groene chemie (2.9). Bij dit type projecten gaat het om de bouw en het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur. Beoogde gebruikers van de test- en experimenteerinfrastructuur zijn met name ondernemingen. Deze projecten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: 1. het gaat om infrastructuur waarop of waarmee u kan testen en experimenteren met het oog op de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde producten, processen en diensten en het testen en opschalen van technologieën, om vooruitgang te boeken door industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling; 2. toegang tot de test- en experimenteerinfrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en moet op transparante en niet-discriminerende wijze worden toegekend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur financieren kunnen tegen gunstiger voorwaarden met voorrang toegang krijgen. Om overcompensatie te voorkomen, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming aan de investeringskosten. Deze voorwaarden maakt u openbaar. 3. voor exploitatie of gebruik van de infrastructuur brengt u een marktprijs in rekening, of de kosten inclusief een redelijke marge bij afwezigheid van een marktprijs. 1.2 Welke pilot- en demonstratieprojecten passen niet? Voor de volgende projecten kunt u geen subsidie aanvragen: • CO₂-reductie in de sector ‘mobiliteit’ van het Klimaatakkoord passen niet in de DEI+ regeling. Uitzonderingen waarvoor u wel subsidie kan aanvragen zijn projecten die passen in het thema Flexibilisering van het energiesysteem (hoofdstuk 2.3) en de productie van duurzame transportbrandstoffen; • CO₂-reductie in de sector ‘landbouw en landgebruik’ van het Klimaatakkoord met uitzondering van de productie van biogas, projecten in de voedingsmiddelenindustrie en projecten gericht op veenvervanging binnen het subthema Circulaire economie algemeen (2.5.1) en het thema CC(U)S – Carbon Capture, Utilisation and Storage (2.6); • de vervaardiging van milieuvriendelijke producten, machines of vervoermiddelen zonder dat er CO₂- reductie optreedt in het productieproces of grondstoffen mee worden bespaard (pilotprojecten mogen wel). Voor meer informatie of uw project in aanmerking komt voor subsidie, zie de themabeschrijvingen in hoofdstuk 2 en de beoordelingscriteria in hoofdstuk 3. -- 7 of 89 -- 8 | DEI+ handleiding 2026 1.3 Wijzigingen bij de openstelling in januari en juni 2026 De belangrijkste wijzigingen bij de openstelling van de DEI+ in juni 2026 zijn: • We stellen de subthema’s Circulaire economie algemeen en Circulaire economie - Biobased Circular grote projecten open voor een gezamenlijk budget van € 60.000.000. • Het subthema Circulaire economie - Biobased Circular grote projecten is inhoudelijk gelijk aan het subthema Circulaire economie - Biobased Circular. We hebben het ‘grote projecten’ subthema toegevoegd om ruimte te bieden aan projecten die inhoudelijk aan deze themabeschrijving voldoen maar een grotere subsidievraag hebben dan is toegestaan in het in januari opengestelde subthema Circulaire economie - Biobased Circular. Subsidiebedrag Pilotproject Demonstratieproject CE Biobased Circular Maximaal € 1 miljoen Maximaal € 10 miljoen CE Biobased Circular grote projecten Tussen de € 1 en 25 miljoen Tussen de € 10 en 30 miljoen • Voor het subthema Circulaire economie algemeen (2.5.1) zijn er twee wijzigingen gemaakt binnen de doelstelling: - We hebben het mogelijk gemaakt dat circulaire projecten die CO₂ reduceren buiten Nederland kunnen aanvragen. Het project moet in Nederland uitgevoerd worden. Hiervoor moet u een berekening maken van de mondiale voetafdruk van de grondstoffen, materialen of producten die geproduceerd worden binnen het project. Dit moet u afzetten tegen het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek. - We hebben het mogelijk gemaakt om projecten rondom veenvervanging en in de voedingsmiddelenindustrie met een CO₂-reductie in de sector “landbouw en landgebruik” te subsidiëren in de DEI+. De belangrijkste wijzigingen bij de openstelling van de DEI+ in januari 2026 zijn: Algemeen • In de doelstelling is expliciet beschreven binnen welke thema’s een indirecte bijdrage aan het reduceren van CO₂-emissies is toegestaan. Deze kunt u vinden in hoofdstuk 1. • Bij de al bestaande uitsluiting van projecten met een CO₂-reductie in de sector ‘mobiliteit’ van het Klimaatakkoord is opgenomen dat de productie van duurzame transportbrandstoffen wel is toegestaan. • De documenten om aan te tonen dat u geen ‘onderneming in moeilijkheden’ bent, zijn opgenomen als informatieverplichting bij de aanvraag. Dit gaat om de verklaring geen onderneming in moeilijkheden, het beslisschema, een organogram en de (geconsolideerde) jaarcijfers van de deelnemers. • De afwijsgrond ‘de minister beslist afwijzend op uw aanvraag indien er eerder op grond van deze titel of titel 3.20 een subsidie is verstrekt voor drie of meer soortgelijke projecten’ is komen te vervallen. • Het bedrag dat u per uur kunt aanvragen onder de vaste-uurtarief-systematiek is verhoogd van 60 naar 80 euro per uur. Thema Verduurzaaming gebouwde omgeving • De naam van dit thema is gewijzigd van Aardgasloze gebouwde omgeving naar Verduurzaming gebouwde omgeving. • Voor dit thema is nu ook expliciet omschreven dat projecten die een indirecte bijdrage aan het reduceren van CO₂-emissies zijn toegestaan. • Er is een maximum subsidiebedrag van 1 miljoen per project opgenomen. • Projecten die zich richten op de inzet van waterstof in de gebouwde omgeving zijn uitgesloten. -- 8 of 89 -- 9 | DEI+ handleiding 2026 Thema ‘Circulaire economie algemeen’ en ‘Circulaire economie – Biobased Circulair’ • Het thema Circulaire economie’ is opgesplitst in 2 subthema’s, Circulaire economie algemeen en Circulaire economie Biobased Circular. • Het subthema Biobased Circular is toegevoegd voor projecten die zich richten op biopolyesters en wordt opengesteld voor 22 miljoen euro. Dit subthema wordt gefinancierd vanuit het Nationaal Groeifonds Biobased Circular. Per project geldt een maximum subsidiebedrag van 1 miljoen voor pilotprojecten en van 10 miljoen voor demoprojecten. Thema ‘Waterstof en groene chemie’ • Er is een apart budget voor dit thema, gefinancierd vanuit Nationaal Groeifondsmiddelen. Het gaat om middelen van het GroenvermogenNL programma. • Voor demonstratieprojecten op het gebied van productie van waterstof is de OWE uit artikel 4.2.1 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies gehaald. Hierdoor kunnen OWE en DEI+ niet meer cumuleren. Meer informatie over het combineren van subsidies kunt u vinden in Bijlage 3. • In de informatieverplichtingen na afloop van het project is opgenomen dat u voor blijvende waterstofproductie installaties in plaats van de bestaande verplichtingen ook kunt laten zien dat u een gecertificeerde installatie voor de productie van waterstof heeft via een goedgekeurd vrijwillig certificeringsschema. -- 9 of 89 -- 10 | DEI+ handleiding 2026 2 DEI+ thema’s Uw DEI+-project moet binnen één van de volgende thema’s vallen. De thema’s met een * hebben een eigen budget (hoofdstuk 4.1). De thema’s met ** hebben gezamenlijk een eigen budget. Thema Pilots Demon stratie Test en experimenteer infrastructuur Uitzonderingen Artikelen AGVV Energie-efficiëntie anders dan in gebouwen X X 25 en 38 Bevordering van energie uit hernieuw- bare bronnen X X Geen demo’s biomassa- vergassing en geen waterstofprojecten 25 en 41 Flexibilisering van het energiesysteem X Geen waterstof- projecten 25 Infrastructuur- voorzieningen X Geen waterstof- projecten 46 en 56 Circulaire economie algemeen** X X Geen demo’s bio- based grondstoffen ter vervanging van fossiel, wel pilots. 25 en 47 Circulaire economie – Biobased Circulair* X X Geen demo’s bio- based grondstoffen ter vervanging van fossiel, wel pilots. 25 en 47 Circulaire economie – Biobased Circulair grote projecten** x x Geen demo’s bio- based grondstoffen ter vervanging van fossiel, wel pilots. 25 en 47 CC(U)S (Carbon Capture, Utilisation and Storage, inclusief koolstofverwijdering) X Xw 25, 36 en 47 Verduurzaming gebouwde omgeving* X X 25, 38 bis, 41, 46 en 56 Overige CO2-redu- cerende maatrege- len in de industrie, elektriciteitssector of geb […tekst ingekort]
Bronnen en actualiteit
“Maximale subsidie per project: Pilotprojecten: € 1 miljoen. Demonstratieprojecten: € 1 miljoen.”
Toon brontekst
Direct naar de content Menu Home Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) DEI+: Verduurzaming gebouwde omgeving DEI+: Verduurzaming gebouwde omgeving Open voor aanvragen De inhoud van deze pagina is gecontroleerd op 18 juni 2026 Investeert u als ondernemer in een innovatie die helpt om woningen, woongebouwen, gebouwen zonder woonfunctie (utiliteitsgebouwen) of wijken CO2-arm te maken (met zo min mogelijk uitstoot van broeikasgassen)? Doet u dat alleen of in samenwerking met bijvoorbeeld de leverancier van de innovatie? Vraag dan subsidie aan met de regeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+): Verduurzaming gebouwde omgeving. Direct aanvragen Aanvraag bekijken Blijf op de hoogte via e-mail Budget en aanvraagperiode Startdatum: dinsdag 27 januari 2026 09:00 Einddatum: donderdag 27 augustus 2026 17:00 Maximale subsidie per project: Pilotprojecten: € 1 miljoen. Demonstratieprojecten: € 1 miljoen. Totaal budget: € 6.000.000 Aanvullende informatie: Update 16 juni: we hebben verschillende (kleine en grote) aanvragen in behandeling. Stel uw aanvraag niet uit. Het beschikbare budget kan (snel) in uw voordeel óf nadeel veranderen. Wij behandelen aanvragen op volgorde van binnenkomst. De naam van deze subsidie is sinds 2026 veranderd van DEI+: Aardgasloze gebouwde omgeving naar DEI+: Verduurzaming gebouwde omgeving. Het gaat om dezelfde subsidie. Voor wie? Deze subsidie is bedoeld voor: bedrijven in Nederland, Bonaire, St. Eustasius of Saba; die werken aan een pilot of demonstratie van een innovatieve techniek; die helpt bij de verduurzaming van gebouwen; met als doel om minder CO2 uit te stoten in Nederland. Provincies en gemeentes mogen meedoen, maar ontvangen zelf geen subsidie. Waterschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden wel subsidie ontvangen. We raden u aan het projectideeformulier in te vullen, zodat wij u kunnen adviseren. Waarvoor krijgt u subsidie? U krijgt subsidie voor pilotprojecten en demonstratieprojecten die gaan over ten minste één van de volgende onderwerpen: de overgang naar CO₂-arme woningen, woongebouwen, gebouwen zonder woonfunctie (utiliteitsgebouwen) of wijken tegen zo laag mogelijke kosten; het handhaven en (voor zover mogelijk) verbeteren van de technische, functionele, natuurkundige, en schoonheidskwaliteiten in de woning, het woongebouw, het utiliteitsgebouw of de wijk; het sneller en op grote(re) schaal CO₂-arm maken van bestaande woningen, woongebouwen, utiliteitsgebouwen of wijken. Denk aan: maatregelen die ervoor zorgen dat we gebouwen energie-efficiënter gebruiken; het bevorderen van de productie, opslag en inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen (zoals zon en wind) voor gebouwen; stadsverwarming of -koeling met efficiënter gebruik van energie, en lokale infrastructuur. Voor pilotprojecten geldt dat uw project ook kan gaan over onderwerpen die een indirecte bijdrage leveren aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. U kunt hierbij denken aan arbeidsbesparing, digitalisering en aanpassing aan het klimaat (klimaatadaptatie). Meer informatie hierover vindt u in de Handleiding DEI+. Vergroot uw impact U kunt een demonstratieproject combineren met randvoorwaardelijke innovaties. Zo vergroot u de impact van uw project en draagt u bij aan minder CO₂-uitstoot. Randvoorwaardelijke innovaties zijn: innovaties die niet direct zorgen voor minder CO₂-uitstoot; sociale, psychologische en organisatorische vernieuwingen, en innovaties in digitalisering; innovaties die helpen om energie in gebouwen slimmer en materialen duurzamer te gebruiken. Bekijk de andere subsidiethema's Heeft u een innovatie die u wilt testen of demonstreren, maar valt uw innovatie niet onder dit thema? Kijk dan of uw project past binnen een ander thema van de subsidie DEI+. Voorwaarden Uw project past binnen de beschrijving onder Waarvoor krijgt u subsidie? U voert een pilot- of demonstratieproject uit. Uw project zorgt voor minder CO2-uitstoot in Nederland binnen 10 jaar na de start van het project. Uw project duurt maximaal 4 jaar. U start met de uitvoering van uw project binnen 6 maanden na onze brief met de goedkeuring van uw subsidieaanvraag (subsidiebeschikking). U mag vóór het indienen van uw aanvraag nog niet met uw project starten, geen verplichtingen aangaan en geen kosten maken (ook niet als u deze kosten nog niet betaalt). U voert het project voor eigen rekening en op eigen risico uit. In uw project maakt minstens één onderneming kosten. Uw project is technisch en economisch haalbaar. U onderbouwt de werking van techniek goed. U onderbouwt de slaagkans van uw innovatie in de Nederlandse markt goed. U motiveert dit met marktkennis, bronnen en argumenten. Uw onderneming is niet in moeilijkheden, zoals bedoeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. Meer hierover leest u op de pagina Aanvragen subsidie DEI+ onder 'Toon aan dat uw onderneming niet in moeilijkheden is'. Op het moment dat u uw aanvraag indient, moet voldoende zeker zijn dat de financiering van uw eigen aandeel in de projectkosten rondkomt. Uw eigen aandeel is het deel van de projectkosten waarvoor u geen subsidie ontvangt. Voor extra randvoorwaardelijke innovaties geldt aanvullend: u ontvangt steun via de-minimissteun. Hiervoor is een de-minimisverklaring nodig. Bij uw aanvraag geeft u aan of uw organisatie over het huidige en de afgelopen 3 belastingjaren niet meer dan € 300.000 aan de-minimissteun heeft ontvangen. Lees meer over de voorwaarden in de Handleiding DEI+. En bekijk de redenen voor afwijzing die gelden voor subsidies voor energie-innovatie. Vergroot de kans op subsidie met onze 3 tips 1. Beschrijf uw innovatie in detail Geef specifiek aan: wat uw innovatie inhoudt; welke uitdagingen er zijn; welke oplossingen u daarvoor heeft. Wees concreet en vermijd vage termen. Vertrouw op de technische expertise en geheimhoudingsplicht van onze beoordelaars. Als u de werking van uw technologie niet met ons wilt delen, kunnen wij uw aanvraag niet beoordelen. U ontvangt dan geen subsidie. 2. Zorg dat uw project innovatief is Toon aan hoe vernieuwend uw project is. En hoe uw project zich onderscheidt van de huidige stand van de technologie. Laat zien dat u op de hoogte bent van de nieuwste technologieën. Vergelijk uw project daarmee, om aan te tonen dat uw technologie vernieuwend is. Voor pilotprojecten geldt de internationale stand van de technologie. Voor demonstratieprojecten geldt de Nederlandse stand van de technologie. 3. Benoem uitdagingen en geef concrete oplossingen Doe dit voor: de technische problemen, risico's en onzekerheden van uw innovatie; de manier waarop u geld gaat verdienen met uw technologie; het betrekken van anderen (derden) in uw project. Toets uw projectidee Vraag nu zonder verplichtingen advies over uw projectidee. Door dit te doen voordat u de aanvraag doet, vergroot u de kans dat uw project slaagt. Bespreek samen de haalbaarheid van uw idee en de kansen op succes. Leg uw idee uit en krijg direct feedback. Ontdek mogelijk andere subsidies die voor u interessant zijn. We doen ons best om uw projectidee binnen 3 weken te behandelen. Als wij veel projectideeën ontvangen, kan dit langer duren. Één van onze projectadviseurs neemt zo snel mogelijk contact met u op. Laat uw projectidee toetsen Uw aanvraag voorbereiden Bereid uw aanvraag goed voor, voordat u subsidie aanvraagt. Zorg op tijd voor het juiste eHerkenningsmiddel. Verzamel alle gegevens die u nodig heeft voor uw aanvraag. Sla tussendoor op als u later verdergaat. Lees meer over de acties voor uw aanvraag Aanvragen U kunt subsidie aanvragen vanaf 27 januari 2026, 09:00 uur tot 27 augustus 2026, 17:00 uur. Direct aanvragen Na uw aanvraag Aanvraag bekijken Nadat u een subsidieaanvraag heeft gedaan, kunt u: uw aanvraag bekijken; de voortgang van uw project doorgeven; wijzigingen in uw project doorgeven; vaststelling van uw subsidie aanvragen. Lees meer over de acties na uw aanvraag Veelgestelde vragen Wat is een pilotproject? In een pilotproject test u een product (prototype), proces of dienst in een omgeving die lijkt op de praktijk met als doel om het verder te verbeteren. U test de haalbaarheid, effectiviteit en praktische onderdelen van uw ontwerp. Een pilotproject helpt u om inzicht te krijgen in de uitdagingen, valkuilen en succesfactoren, voordat u investeert in verdere opschaling van de technologie. Het hoofddoel van een pilotproject is dat u ervan wilt leren. Wat is een demonstratieproject? Een demonstratieproject is een project dat bestaat uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico hebben. En die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland. Bij een demonstratieproject blijft de installatie ook na het project in gebruik. Is dat niet het geval? Dan is mogelijk sprake van een pilotproject en geen demonstratieproject. Het gaat bij demonstratieprojecten om investeringsprojecten. De aanvrager investeert en is eindgebruiker in zijn eigen organisatie. Vinden er binnen het project nog testen plaats? Dan kan er sprake zijn van een demonstratieproject in combinatie met pilotactiviteiten. In dat geval raden wij u aan om contact met ons op te nemen via het indienen van een projectideeformulier. Hoe ver moet ik zijn met de financiering van mijn project? U moet in uw aanvraag aantonen hoe u het project financieert. Het gaat dan om het deel van de projectkosten waarvoor u geen subsidie krijgt (uw eigen aandeel in de projectkosten). Dit onderbouwt u bijvoorbeeld met: een verklaring van uw bank of investeerder een (recent) jaarverslag een businessplan De financiering van uw eigen aandeel in de projectkosten moet u voldoende duidelijk onderbouwen. Is dat niet het geval? Dan wijzen wij uw aanvraag af. Lees meer op Financiering subsidieproject. Wat bedoelen we met CO₂? Het broeikasgas CO2 zorgt voor opwarming van de aarde. Maar, niet alle broeikasgassen warmen de aarde even sterk op. Sommige gassen, zoals methaan (CH4) en lachgas (N₂O) hebben een veel sterker effect dan CO2. Om dit toch met elkaar te kunnen vergelijken, worden broeikasgassen omgerekend naar hoeveel CO2 dezelfde opwarming zou veroorzaken. Dit noemen we een CO2-equivalent. Dit is dus de hoeveelheid CO2 die dezelfde invloed op het klimaat heeft als een bepaalde hoeveelheid van een andere broeikasgas. Voor methaan mag u 28 keer het CO2-equivalent rekenen. Voor lachgas mag u 256 keer het CO2-equivalent rekenen. Wat bedoelen we met CO₂-arm? Een CO2-arme gebouwde omgeving (woningen, wijken, woongebouwen en gebouwen zonder woonfunctie) draagt zo min mogelijk bij aan de uitstoot van broeikasgassen. In de gebouwen kunnen we de CO2-uitstoot verminderen door minder energie en aardgas te gebruiken. Het gaat dan bijvoorbeeld om de CO2-uitstoot bij het ontstaan (zoals bouwen), gebruiken (zoals verwarmen en koelen), instandhouden (zoals onderhouden) en verwijderen (zoals slopen) van gebouwen. Of bekijk alle veelgestelde vragen over de Energy Innovation NL-regelingen. Meer weten? Wetten en regels Officiële bekendmakingen Energy Innovation NL Wijziging van de subsidie DEI+ (Staatscourant 18 december 2025) Vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling subsidie DEI+ (Staatscourant 18 december 2025) Download de Handleiding DEI+ Handleiding DEI+ PDF document | 1.07 MB In opdracht van: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Hoort bij: Klimaat en energie Zie ook Bekijk de andere subsidies voor energie-innovatie Lees meer over Energy Innovation NL (actualiteiten en achtergronden) Uitgelicht Efteling investeert in slim en duurzaam energiesysteem " We halen in de zomer warmte uit de vijver en gebruiken die in de winter om gebouwen te verwarmen. Zonder de steun van de subsidie DEI+ was het moeilijk geweest. Het ging om een investering van meer dan een miljoen euro. De subsidie gaf vertrouwen. " Mark JansenManager Technisch Ontwerp bij Efteling Lees meer Onderneem maatschappelijk verantwoord Denk bij de productie en diensten van uw bedrijf aan mens, milieu en maatsc […tekst ingekort]
Toon brontekst
Veelgestelde vragen energie-innovatieregelingen | RVO.nl - Direct naar de content Menu Home - Subsidies voor energie-innovatie - Veelgestelde vragen energie-innovatieregelingen # Veelgestelde vragen energie-innovatieregelingen Open voor aanvragen De inhoud van deze pagina is gecontroleerd op 20 mei 2026 Hier vindt u antwoorden op veelgestelde vragen over de energie-innovatieregelingen. ### Wanneer ben ik een deelnemer in een project? Een deelnemer is een partij die meedoet aan een project. Dit kan door zelf activiteiten uit te voeren. Of door een cash bijdrage te leveren aan een andere deelnemer in het project die activiteiten uitvoert. Een deelnemer kan ook in natura meedoen (in-kind deelnemer). Een voorbeeld hiervan is door machines en apparatuur beschikbaar te stellen voor gebruik tijdens het project. Een derde partij die wordt ingehuurd en in opdracht activiteiten uitvoert (kosten derden op de begroting), telt niet mee als deelnemer. Alleen deelnemers die meedoen op eigen risico en voor eigen rekening, komen in aanmerking voor subsidie. ### Wat is een onderzoeksorganisatie binnen Energy Innovation NL? Een onderzoeksorganisatie is een organisatie voor onderzoek en het verspreiden van kennis. Alleen universiteiten, hogescholen en organisaties voor toegepast onderzoek (TO2-instellingen) tellen als onderzoeksorganisatie. Dit geldt ook voor soortgelijke organisaties uit het buitenland. De TO2-instellingen zijn: - Deltares - Maritime Research Institute Netherlands (MARIN) - Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) - Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) - Wageningen Research ### Moet een kennisinstelling/onderzoeksorganisatie meedoen aan het project? Nee, dit is bij geen enkele Energy Innovation NL-regeling verplicht. ### Mag een buitenlandse deelnemer meedoen? En kan die subsidie krijgen? Ja, dit mag. Wel moeten de activiteiten van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband een positief effect hebben op de Nederlandse economie. Als de buitenlandse deelnemer een onderneming is, moet deze een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben. Een postbus in Nederland is niet voldoende. Met een vaste inrichting bedoelen we: een bedrijfsruimte in Nederland die langdurig over genoeg faciliteiten (zoals personeel en apparatuur) beschikt om als zelfstandige onderneming te kunnen functioneren. Vanuit die bedrijfsruimte levert de onderneming goederen of diensten aan derden. Ook bij een dochteronderneming kijken we hiernaar. ### Moet ik een samenwerkingsovereenkomst meesturen bij mijn subsidieaanvraag? Is een onderzoeksorganisatie deelnemer in uw project? Dan moet u een ondertekende samenwerkingsovereenkomst hebben vóórdat u aan het project begint. U geeft bij uw aanvraag aan dat u hiervan op de hoogte bent. Wij vragen deze samenwerkingsovereenkomst later bij u op. In de samenwerkingsovereenkomst staan afspraken over: - de manier waarop u omgaat met de bijdrage in de kosten; - het delen in de risico’s en uitkomsten; - de verspreiding van de resultaten; - de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. De subsidie aan de onderzoeksorganisatie mag niet zorgen voor een indirect voordeel voor de onderneming. Er is géén indirect voordeel als: - de deelnemers alle kosten dragen van het project (onderzoeksorganisaties ontvangen dan geen subsidie); - de onderzoeksorganisaties de intellectuele eigendomsrechten krijgen over de activiteiten die zij (gaan) uitvoeren. Intellectuele eigendomsrechten zijn de rechten die makers en bedrijven beschermen op hun 'creaties van de geest', zoals uitvindingen; - de onderzoeksorganisaties een bij de markt passende vergoeding krijgen voor de intellectuele eigendomsrechten die door hun activiteiten ontstaan; - de intellectuele eigendomsrechten worden verdeeld over de deelnemers. Deze verdeling gebeurt op basis van de activiteiten, bijdragen en belangen van de deelnemers. Ook voor andere samenwerkingen raden wij aan om een overeenkomst af te sluiten. Een voorbeeldovereenkomst vindt u bij de subsidiespelregels . ### Hoe ver moet ik zijn met de financiering van mijn project? Zorg dat uw financiering rond is als u uw aanvraag indient. Dit mag eventueel onder voorbehoud van de subsidie die u aanvraagt. Bij het beoordelen van uw aanvraag kijken we bij alle projecten naar de bijdrage die u zelf moet leveren. Als u uw eigen financiële bijdrage niet op tijd kunt leveren, is de kans groot dat het project mislukt of pas veel later (meer dan een half jaar) van start kan gaan. Daarom wijzen we uw project af als we niet genoeg vertrouwen hebben in de financiering van het eigen aandeel in de projectkosten. Houd bij het maken van het projectplan rekening met de financiële situatie van de deelnemer(s) en het te financieren bedrag. #### Financiële situatie deelnemer In het projectplan beschrijft u hoe u de eigen bijdrage gaat financieren. Dit kan bijvoorbeeld met eigen middelen of door het aantrekken van middelen van andere partijen. U onderbouwt de manier van financieren met documentatie. Meer informatie vindt u in de Handleidingen op onze website die horen bij de verschillende Energy Innovation NL-regelingen. #### Te financieren bedrag U ontvangt een percentage van de projectkosten waarvoor u subsidie kunt aanvragen als subsidiebedrag. Naast deze kosten kunnen er kosten zijn waarvoor u geen subsidie kunt aanvragen. De som van de projectkosten waarvoor u wel en geen subsidie kunt aanvragen min het subsidiebedrag is de bijdrage die u zelf moet betalen. Meer informatie over financiering leest u op Financiering subsidieproject . ### Voldoet mijn project aan de eisen voor stimulerend effect? Uw aanvraag moet voldoen aan de eisen voor het stimulerend effect, zoals het in het Europese steunkader staat. Dit betekent dat u niet mag starten met uw project vóórdat u de subsidieaanvraag indient. Het betekent ook dat u nog geen verplichtingen mag aangaan vóór het moment dat u een subsidieaanvraag doet. Dit geldt ook als u deze kosten nog niet heeft betaald. ### Wat zijn niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties? Een aantal subsidieregelingen geeft 80% subsidie aan onderzoeksorganisaties als de activiteiten 'niet-economisch' zijn. Het uitvoeren van onafhankelijk industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie (ook in samenwerkingsverband) heeft normaal gesproken geen economisch karakter. In de begroting zet u de activiteiten onder de juiste categorie (economische of niet-economische activiteiten). - Bij economische activiteiten gaat het meestal om contractonderzoek. Bij contractonderzoek is de onderzoeksorganisatie geen deelnemer. De partij die de onderzoeksorganisatie de opdracht geeft, zet de kosten die de onderzoeksorganisatie gaat maken op de begroting bij de post ‘kosten derden’. Voor deze kosten ontvangt de opdrachtgever subsidie. - Bij niet-economische activiteiten mag er geen indirect voordeel zijn voor ondernemingen via de subsidie aan de onderzoeksorganisatie (dit is staatssteun). Daarom vragen we in het model projectplan hoe u omgaat met de intellectuele eigendomsrechten, overdracht daarvan aan ondernemingen en verspreiding van andere onderzoeksresultaten. Onderzoeksinstellingen hebben ervaring met het bepalen of activiteiten voor hen economisch of niet-economisch zijn. Zij zijn meestal bekend met de kaders waarbinnen zij kunnen werken. En welke administratie daarvoor nodig is, zoals een gescheiden boekhouding. Na het project kunnen wij of de Europese Commissie nog toetsen of activiteiten economisch zijn. ### Welke kosten voor projectmanagement komen in aanmerking voor subsidie? Kosten die samenhangen met de uitvoering van een activiteit komen in aanmerking voor subsidie. Bij onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten zijn dat onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden. U kunt dus alleen subsidie krijgen voor projectmanagementkosten als deze direct met de (inhoudelijke) onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten verbonden zijn. Voorbeelden hiervan zijn: - inhoudelijke discussies met medewerkers; - analyseren van technische risico’s; - opstellen van inhoudelijke rapportages; - opstellen van specificaties. U krijgt geen subsidie voor projectmanagementkosten als deze geen directe relatie hebben met de inhoudelijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Voorbeelden hiervan zijn: - escalering naar een stuurgroep; - het opstellen van een risicomanagementmodel; - het opstellen van rapportages om aan subsidieverplichtingen te voldoen; - administratieve verantwoording. Voor de subsidie MOOI kunt u ook subsidie krijgen voor overige projectactiviteiten. Het gaat daarbij om activiteiten die bijdragen aan het doel van een MOOI-project, en die niet vallen onder: - fundamenteel onderzoek - industrieel onderzoek - experimentele ontwikkeling - haalbaarheidsstudie ### Welke kosten voor kennisdeling (kennisdisseminatie) komen in aanmerking voor subsidie? Kennisdisseminatie is het verspreiden van kennis. U kunt alleen subsidie krijgen als de kennisdeling direct verbonden is met de inhoudelijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Bijvoorbeeld: - deelnemers die samenwerken in een onderzoeks- of ontwikkelingsproject en kennis delen; - kennis opdoen bij anderen. Voorwaarde is dat kennis opdoen noodzakelijk is om de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit te voeren. U kunt geen subsidie krijgen voor het delen van kennis die u heeft opgedaan tijdens het uitvoeren van uw project. Denk hierbij aan het geven van een presentatie over de projectresultaten op een congres, of het maken van een folder of voorlichtingsbrochure. Voor de subsidie MOOI kunt u ook subsidie krijgen voor overige projectactiviteiten. Een voorbeeld hiervan is het ontwikkelen en verspreiden van kennis. Onderzoeksorganisaties kunnen subsidie krijgen voor het breed verspreiden van onderzoeksresultaten. Dit geldt alleen als de informatie voor iedereen toegankelijk is. Dus niet voor één partij en zonder partijen uit te sluiten. ### Kan ik subsidies combineren? Volgens de regels in het Kaderbesluit EZK en LNV-subsidies zijn er beperkingen voor het combineren van meerdere subsidies. Het totale bedrag aan subsidies mag niet hoger zijn dan het maximale subsidiebedrag van de subsidie die u aanvraagt. Voor subsidies anders dan EZ-subsidies gelden soortgelijke regels. Deze regels staan in de subsidieregeling zelf of in een kaderregeling. Let op: er zijn uitzonderingen. Meer hierover leest u op Cumulatie of samenloop subsidies . ### Mag ik namens dochter-/zusterondernemingen subsidie aanvragen? Nee, dat mag niet, behalve als u intermediair bent. Voor bedrijven met één eHerkenning-account die maar één belastingopgave doen, lijkt dat vreemd. Maar, elk bedrijf is haar eigen rechtspersoon. Iedere rechtspersoon vraagt daarom zelf subsidie aan. Heeft één bedrijf (meestal de holding) in uw groep eHerkenning? En voert dat bedrijf zelf geen activiteiten uit in het project? Dan mag het wel 'intermediair' voor uw groep zijn. Daarnaast geeft u één van de zuster-/dochterbedrijven die wel activiteiten uitvoert op als penvoerder. Eventuele extra zuster-/dochterondernemingen mag u dan als deelnemer opgeven. De penvoerder machtigt de 'intermediair'. De andere bedrijven machtigen de penvoerder via het deelnemersformulier. Voor een aantal regelingen is samenwerking verplicht. Verbonden bedrijven mogen samen geen samenwerkingsverband vormen. In dat geval is er dus nog een extra deelnemer nodig buiten de verbonden bedrijven. Verrekent u de rekeningen onderling met facturen? Dan wordt alleen de partij die de kosten uiteindelijk betaalt de subsidieaanvrager (penvoerder of deelnemer). De overige partijen zijn dan 'derden'. Zij dienen namelijk samen hun facturen in bij een andere onderneming. Ze voeren de activiteiten dan niet voor eigen rekening en risico uit. ### Wat moet ik doen als er een storing is bij het indienen van een aanvraag? Bij een storing kunt u […tekst ingekort]
Deze informatie is geautomatiseerd samengesteld uit officiële bronnen en kan onvolledig zijn. Controleer details bij de verstrekker. Elk hard feit toont een citaat uit de brontekst.